Video’s

Videocolleges Inleiding Tekst en Communicatie

Dit zijn twaalf hoorcolleges. Klik op een college om een hoorcollege te volgen. Elk college bestaat uit een aantal delen.

  • College 1   De vorm-functiebenadering
    Dit college start met een definitie van tekstwetenschap als onderdeel van de communicatiewetenschap. Centraal hierin staan de begrippen vorm en functie. Deze begrippen worden uitgelegd aan de hand van de bedrijvende en lijdende vorm.

    Eén vorm kan verschillende functies hebben: Er draait een goede film kan een verzoek of een excuus zijn. E&eactue;n functie kan in verschillende vormen worden uitgedrukt: vader, pappa, paps, enzovoorts. Het principe van de filosoof Von Humboldt (1836) zegt dat taal streeft naar een een-op-eenrelatie tussen vorm en functie. Maar of dit altijd waar is?

    Toegift: De verschillende functies van de drie ‘vormen’: komma, dubbelepunt en puntkomma.
  • College 2   Tekst(?)wetenschap
    Wat maakt een tekst tot tekst? Een tekst is meer dan een opeenvolging van zinnen of uitingen. Dit wordt verduidelijkt aan de hand van de begrippen cohesie en coherentie, waarmee de samenhang, of connectiviteit, of ‘textuur’ in een tekst kan worden beschreven.

    In de vakliteratuur wordt doorgaans de term discourse gebruikt. Bij discourse gaat het om een onderwerp dat uit meer dan één uiting of zin bestaat, én om de mogelijke interactie tussen spreker en luisteraar, of schrijver en lezer.

    Toegift: Is het mogelijk om twee opeenvolgende zinnen te bedenken die niet op elkaar kunnen volgen? Met andere woorden: Bestaan er non sequiturs?
  • College 3   Communicatie als activiteit
    Communiceren is een activiteit waarbij tekens (vormen met functies) worden uitgewisseld. Die tekens functioneren volgens het Organon-model van de taalpsycholoog Bühler (1934) altijd als symbool én symptoom én signaal.

    Communiceren is handelen via taal. Bij taalhandelingen zijn volgens de filosoof Austin (1955) altijd drie aspecten te onderscheiden: locutie, illocutie en perlocutie. Wat zeggen filosofen als Searle (1979) en Habermas (1981) over deze taalhandelingen?

    Volgens de filosoof Grice (1967) vindt communicatie plaats op basis van het samenwerkingsbeginsel, dat ten grondslag ligt aan een viertal maximen of grondbeginselen. Zodra we naar de relatie tussen vormen en functies kijken, kunnen we niet zonder het begrip conversationele implicatuur om de werking van deze maximen te beschrijven.
  • College 4   Communicatie als presentatie
    Het samenwerkingsbeginsel kan voor communicatie niet alles verklaren. Inzichtgevend is ook het beleefdheidsbeginsel van de communicatiewetenschappers Brown en Levinson (1978). Centraal in deze benadering staat het begrip face of gezicht.

    Er zijn diverse strategieën om gezichtsbedreigende taalhandelingen te voorkomen. Uitleg over deze strategieën volgt aan de hand van drie NS-teksten over zwartrijden.

    Toegift: Is communicatie niet meer dan samenwerking en beleefdheid? Er is toch ook ‘fatische’ communicatie, gewoon om contact te zoeken? Bijvoorbeeld, vanuit stilte in treincoupé: Gisteren stond de trein hier ook al stil.
  • College 5   Stijl
    Het stijlonderzoek is al meer dan tweeduizend jaar oud. Wat zeggen Aristoteles (384 – 322 v. Chr.) en Quintilianus (35 – 100 n. Chr.) over stijl, en met name een goede stijl? Het begrip ‘stijl’ wordt verder verkend aan de hand van de Stijloefeningen van Queneau (1947) met meer dan honderd variaties op eenzelfde verhaaltje.

    In wat voor termen spreken we over stijl? Hoe oordelen we over de geschiktheid van een bepaalde stijl? Al eeuwenlang is geprobeerd om stijl goed te definiëren. Welke elementen zijn hierin belangrijk?
  • College 6   Het effect van stijl
    De talrijke stijldefinities zijn te herleiden tot drie centrale benaderingen. (1) ‘vorm voor inhoud’, (2) een bepaalde keuze, (3) een afwijking van een bepaalde norm. Op elke benadering is echter kritiek mogelijk.

    Heeft stijl effect op de inhoud van de boodschap? Twee onderzoeken als voorbeeld. (1) Een bouwondernemer klaagde journalisten aan omdat de stijl van de negatieve berichtgeving het bedrijf bijna te gronde richtte. Was stijl wel de oorzaak? (2) Politici proberen vaak dichter bij de mensen te komen door met krachtige woorden of in ruwere taal te formuleren. Slagen zij in hun opzet?

    Toegift: Hoe reageer je met je kennis van stijl op een zin als Hun hebben meer zakgeld als mij?
  • College 7   Samenhang in tekst
    In een tekst wordt grammaticaal naar andere tekstdelen verwezen met ‘forische’ elementen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen anaforen, kataforen en exoforen. Een tekst vertoont ook samenhang op woordniveau. Dit heet lexicale cohesie. Die doet zich voor in zes vormen: repetitie, synonymie, hyponymie/hyperonymie, meronymie, antonymie en collocatie.

    In een tekst worden zinnen of uitingen aan elkaar verbonden met voegwoorden of conjuncties. Er zijn drie basisvormen: additie, tijdsrelatie en causaliteit. Extra uitleg volgt over de zes vormen van causaliteit en de manier waarop causaliteit kan worden ingezet als bijvoorbeeld bewijs of rechtvaardiging.
  • College 8   Geen tekst zonder context
    De betekenis van een tekst is afhankelijk van de context of situatie. In een tekst wordt met ik, nu en hier immers verwezen naar een persoon, een tijd en een plaats buiten de tekst. Dit heet deixis.

    Een tekst kan in een beschrijving van een situatie verschillende accenten leggen. Ongeveer zoals een regisseur personages op de voor- of achtergrond kan plaatsen. Dit verschijnsel wordt met een toneelmetafoor aangeduid als staging. In een tekst kan een situatie ook vanuit verschillende perspectieven worden bekeken. Dit heet perspectivering. Er worden drie vormen besproken: visie of ideologie, empathie en focalisatie.

    Toegift: Is er een tekst mogelijk zonder deixis?
  • College 9   Tekstbegrip
    Communicatie is pas geslaagd wanneer de boodschap is begrepen. Maar wat is tekstbegrip? Begrip is niet mogelijk zonder waarnemen en afleiden, maar ook voorspellen is een element van begrip.

    In dit college volgt een proef met twee tekstjes waarin wordt nagegaan in hoeverre tekstbegrip mogelijk is zonder een ‘kapstok’ en hoe een titel (als ‘kapstok’) de tekstverwerking stuurt. Tekstbegrip kan niet zonder voorkennis. Hierbij spelen vier begrippen een rol: schemata, frames, scripts en scenario’s.

    Tot slot volgt uitleg over de werking van metaforen bij het begrijpen van teksten.
  • College 10   Taal en werkelijkheid
    Heeft taal, en dus ook tekst, invloed op de manier waarop wij naar de werkelijkheid kijken? Ja, zegt de Sapir-Whorfhypothese (circa 1930): Er is een relatie tussen taal en denken of waarnemen. Ook op deze hypothese is kritiek mogelijk: ‘Kijken’ wij anders naar een terrorist wanneer die een vrijheidsstrijder wordt genoemd?

    De Sapir-Whorfhypothese speelt een belangrijke rol in critical discourse analysis, ‘discriminerend taalgebruik’ en gender-studies. Ter verduidelijking worden tal van voorbeelden behandeld op het niveau van woordkeus, met kritische kanttekeningen.

    Toegift: Heeft een ander woordgebruik effect? Of: verdient een interieurverzorgster meer dan een schoonmaakster?
  • College 11   Instituties
    Wij handelen in taal volgens rollen en normen in verschillende situaties: onderwijs gezondheidszorg, enz. Voor zo’n rol-normsysteem wordt het begrip institutie gebruikt. Richtinggevend is hier de theorie van Luhmann (1970 & 1975). Er worden twee instituties behandeld vanuit een tekstwetenschappelijke en communicatieve invalshoek.
    - In de institutie ‘politiek’ gaat het om de noodzaak tot modificeren via hedging en eufemismen, en om het inzetten van formuleringen die ‘strategisch ambigu’ zijn.
    - In de institutie ‘media’ gaat het om onderzoek naar perspectivering, en dan vooral de ideologische kleuring.
  • College 12   Instituties (vervolg)
    In dit slotcollege worden nog twee andere instituties behandeld, wetgeving en bureaucratie. Het accent ligt op toegepast onderzoek naar begrijpelijkheid.
    - In wetgeving dient het taalgebruik altijd ondubbelzinnig te zijn. Is dit mogelijk? En is deze eis te combineren met de eis van begrijpelijkheid? Denk mee in een discussie over een mogelijke vereenvoudiging van onze Grondwet.
    - Overheidsteksten bedoeld voor de burger zijn lang niet altijd begrijpelijk. Maar hoe kan een te moeilijke brief worden vereenvoudigd? Problemen en valkuilen worden besproken aan de hand van gemeentelijke brieven over paspoortverlenging en huisvuil. Bij de behandeling van deze brieven wordt ook stof van de vorige colleges in het kort herhaald.